maandag 6 april 2026

Opgavegericht werken volgens de boekjes én op de werkvloer

Van de collega's van Kompas IenW kreeg ik een mooi boekwerk van Twijnstra en Gudde  (T&G) over opgavegericht werken (OGW). T&G beschouwt OGW niet als een methode, maar als een leidend principe waarin maatschappelijke opgaven continu centraal staan. Dus niet antwoord geven op een vraagstuk vanuit een overheid, maar vanuit de behoefte van een maatschappelijke alliantie of gemeenschap. Wat dat betreft past dat goed bij het Beleidskompas waar immers ook de belanghebbende centraal staat. Omdat OGW geen kant-en-klare oplossing of methodiek is wordt het soms wel wat vaag en ongrijpbaar. Het vraagt in ieder geval een andere manier van werken dan eerst je huiswerk doen en dan naar buiten treden. Naar buiten gaan is je huiswerk om dingen op te halen. Tot zover de boekjes , maar nu de werkvloer. De collega's van de Directie Participatie en wij zelf inmiddels ook - bij het organiseren van beleidsateliers, lopen er tegen aan dat het heel lastig is om beleidscollega's vanuit die nieuwe blik op huiswerk te laten handelen. Dat zit hem denk ik in een wisselend samenspel tussen factoren van de collega zelf (behoefte aan autonomie, onzekerheid, handelingsverlegenheid), van de organisatie ((geen)dekking door de lijn, (perceptie van) beperkte tijd, de oplossing van het probleem staat al in het regeerakkoord, ongeschreven regels, wat vindt de bewindspersoon er van?), maar ook in de belanghebbenden (luidruchtige en lobbyende usual suspects, meestribbelaars). Het is dus ook gewoon moeilijk. De weg voorwaarts is denk ik gaan voor de uitvoering; dus pilotsgewijs aan de gang waarbij je de factoren collega en organisatie op standje samen leren zet. Want zo zegt T&G ook: 'Zonder focus op de uitvoering dreigt opgavegericht werken te verzanden als een interne organisatieontwikkeling'. En nu niet gaan klagen over dat we nu weer gaan pilotten, want zoals Ben Tiggelaar aangeeft  'als pilots een goede manier zijn om te veranderen, waarom ga je er dan niet gewoon mee door?" 


Bron: Twijnstra & Gudde

 

Een hopelijk vitaal gesprek over vitaliteit

Komende donderdag doe ik mee met een aflevering van de gesprekscyclus sociale veiligheid. Met twee bestuursraadleden gaat het gesprek deze keer over vitaliteit. Een mooi en breed onderwerp dat bijvoorbeeld kan gaan over werk-privé balans of de invloed van de kantooromgeving op het welbevinden. Deze invalshoeken wilde ik dan zelf maar niet inbrengen. Het lijkt mij wel een mooie om stil te staan bij de vraag:  "Wat staat collega's en organisatie te doen om vitaal de pensioengerechtigde leeftijd te bereiken?". Sinds 2000 is de gemiddelde leeftijd waarmee we daadwerkelijk met pensioen gaan als Nederlanders van 61 naar 66 jaar gestegen en zal de komende jaren nog wat verder toenemen. Niet alleen een indrukwekkend beleidsresultaat, maar ook een opgave dit in goede banen te leiden. Dat maakt deze vraag in mijn ogen best relevant. In een college gaat filosoof Joep Dohmen niet alleen te keer tegen misleidende Zwitser Leven-fantasieën waarin - zo stelt hij het ouder worden gewoon maar ontkend wordt- , maar vat hij ook vier theorieën samen over het ouder worden (niet specifiek over de ouder wordende werknemer). De twee extremen van de vier zijn de onthechtingstheorie - zich vanuit verval langzaam terugtrekken en ruimte maken voor de volgende generatie, en de activiteitentheorie - vooral nieuwe uitdagingen aangaan in beweging zijn en blijven. Daar wat tussen in zitten de continuïteitstheorie - patronen vasthouden en blijven doen wat je altijd al deed en de selectieve optimalisatie en compensatietheorie - onderzoek wat je wilt en wat nog haalbaar en bereik dit met compenserende strategieën en door de inzet van hulpbronnen. Ik weet nog niet welke mij het beste past. Met AI als hulpbron vind ik ook nog zeven strategieën om welzijn en productiviteit van de ouder wordende kantoorcollega te behouden. Waarbij ik in ieder geval de aanbeveling 'stimuleer het nemen van vakantiedagen' een hele goede vind.