zondag 21 augustus 2016

Kennis: de reanimatie van Pinguïn Fred

PInguin Fred is niet alleen fabelfiguur uit een boek van managementgoeroe John Kotter, maar was ook de naam van de illustere IenM boekenclub die tot 2012 bestaan heeft. En nu is het goede nieuws dat ik samen met Martje Storm en Felix Wolf Pinguïn Fred opnieuw tot leven ga wekken. Zeg maar een soort van BHV maar dan anders. Het idee is net als vroeger non-fictie (management)boeken te lezen en daar op te reflecteren met collega's om meer diepgang en kennisbasis onder het eigen werk te leggen. Dit last bij de Koers en de Nota Kennisbeleid waarin wordt opgeroepen een kennisvriendelijke klimaat te ontwikkelen waar binnen ruimte is voor medewerkers die worden gewaardeerd om een goed ontwikkelde kennisorientatie. We zijn nu bezig met het  maken  van een longlist van boektitels waaruit uiteindelijk 8 boeken gekozen worden voor het komende leesjaar die op 8 in één keer in te plannen bespreeksessies worden besproken. Laat even weten als je mee wilt denken over de longlist dan stuur ik het lijstje toe. Maar zomaar een titel met auteur sturen en een regel onderbouwing mag natuurlijk ook!

zaterdag 20 augustus 2016

Strategie: Aan de slag voor de Nationale Adaptatiestrategie

Vrijdag luisterde ik in de sportschool (ja, ja) naar het radiojournaal. Toegegeven het was vast door het ontbreken van een gouden medaille, maar als allereerste ging het over het conflict tussen boeren en verzekeraars mbt het vergoeden van de hagelschade van onlangs en als tweede over het bestrijden van de oprukkende tijgermug. Dit ondersteunt mooi de zin 'climate change is no longer merely a future scenario; it is already in progress, and its effects are being felt in many locations. En die zin haal ik dan weer uit de Guidelines on Developing Adaptation Strategies die ik zonet gelezen heb. Niet echt standaard weekendkost zo'n Europese guideline, maar ik lees h'm met een reden. Ik ga namelijk op 1 september een werkatlier voorzitten voor de nieuwe Nationale Adaptatiestrategie (NAS) die in december in de  MR moet liggen. Al bij mijn vroegere werk aan de Kaderrichtlijn Water was mij opgevallen hoe mooi de synchroniserende werking van een Europese richtlijn kan uitwerken. Wanneer 28 lidstaten tegelijkertijd aan iets werken en daarmee tegelijkertijd met dezelfe uitdagingen worstelen, ontstaat er als vanzelf bijzonder veel bereidwilligheid van elkaar's aanpakken te leren. Ook de bovengenoemde guideline leest als een feestje van Europese samenwerking, Leren van het buitenland pur sang. Eind 2013 hadden vijftien lidstaten iets van een NAS, waarvan er acht ook een actieplan hadden (NL niet) en er maar ééntje ook over grensoverschrijdende effecten ging (Goud voor België!). De guideline bevat zeventien best practice-achtige praktijkvoorbeelden voor hoe lidstaten verschillende stappen uit de guideline invullen. Zo blinkt Slovenië uit in het creeren van bewustzijn, heeft Oostenrijk slim NAS en actieplan geïntegreerd en prioriteert UK handig door te focussen op (1) low regret robuuste maatregelen die onder ieder klimaatscenario baten opleveren; en (2) klimaat meenemen in lange termijn besluiten (vb watertoets). Nederland doet ook iets goed namelijk het toepassen van een multi-criteria analyse om de geschiktheid van adaptatiiemaatregeken te wegen (Routeplanner 2050). 
Hoe dan ook een mooi onderwerp om mij op te storten. In een duizelingwekkend geheel van primaire, secundaire en tertiaire klimaateffecten is het ook een uitdaging om de NAS van actiegerichtheid, concreetheid, overzicht en draagvlak te voorzien. 


zondag 14 augustus 2016

Gelezen: The science of using science

Prachtige titel natuurlijk van dit rapport van de University College London dat ik dankzij Joke onder ogen kreeg. Het mooie is daarbij dat de auteurs (Langer et al.) ook zwaar aandacht hebben voor het science-gehalte van de uitspraken die zij in dit rapport doen. Bij de verschillende conclusies en aanbevelingen geven ze dan ook aan hoe hard het bewijs is waarop de uitspraak gebaseerd is (reliable, cautious en absence of evidence). Net als in het rapport van het Rathenau instituut hierover (Beleid en het bewijsbeest, 2012) vervangen ze term evidence-based rap in evidence-informed om te benadrukken dat het in (politieke) besluitvorming om meer dan bewijsvoering gaat. Of zoals Wim Derksen het klip en klaar heeft opgeschreven (Kennis en beleid verbinden, 2011) de wetenschap gaat over het weten en de politiek over het willen. Een betrouwbare (reliable) uitspraak is dat het helpt om wetenschappelijke kennis beter toegankelijk te maken voor beslissers. Vooral als je tegelijkertijd de motivatie, de mogelijkheden en de skills voor het vinden en interpreteren van kennis weet te vergroten bij beslissers. Een minder zekere aanbeveling is het bedenken van formats (vb te vullen regel in oplegger voor de Ministerraad) of andere formele mechanismen om 'af te dwingen' evidence -informed besluiten te nemen. Iets wat (met minder zekerheid dat dan weer wel) niet werkt zijn CoPs (slik) zonder educatieve component, en wat ook niet werkt is een éénmalige korte training van een halve dag. De aanbevelingen tot nu toe komen uit een analyse van vakliteratuur die echt over evidence-based en evidence-informed beleid gaat. De auteurs verzamelden echter ook tal van (minder zekere) inzichten uit de bredere sociale vakliteratuur. Daaruit komen ook institutionele oplossingen naar voren. Met één van mijn trouwe lezers in gedachte kom ik dan zonder lang nadenken op de grote toegevoegde waarde van onze planbureaus. Gelukkig toch nog steeds een baken in de strijd tegen fact free politics. Met de Amerikaanse verkiezingen in het vooruitzicht is het natuurlijk de vraag hoe het op de lange termijn gesteld zal staan met de motivatie van beslissers om aan evidence-informed beleid te doen als het electoraat niet met feiten is te boeien. 

Kennis: Community of Practice Kennis voor Beleid - alleen sneller, samen verder

Het mooie van aan het begin van de vakantieperiode een Plan van Aanpak maken is dat je de hele zomer tot je beschikking hebt om het plan op basis van gesprekken steeds beter te maken. En het is goed te weten dat dit voor het PvA CoP kennis voor beleid ook echt zo gewerkt heeft. Ik noem geen namen omdat ik er dan vast één vergeet, maar voor de achte gesprekken die ik gevoerd heb geldt echt dat ieder gesprek munitie gaf het plan verder aan te scherpen. Sommige dilemma's en twijfelingen blijven overigens wel gewoon bestaan, maar dat is dan maar zo; daar zijn het dilemma's voor. Wordt vervolgd. 

zondag 7 augustus 2016

Vergeleken: legale en illegale economie

Al sinds het verschijnen van (super)freacomics - met daarin een plausibele verklaring waarom veel drugsdealers nog bij hun moeder thuis wonen - heb ik een vreemde voorliefde voor de economie van illegale praktijken. Die houden zich namelijk lang niet altijd aan de tucht van de markt. Fascinerend is dat het bestuderen van illegale praktijken iets weg heeft van het doen van ongecontroleerde veldexperimenten, die zich niet houden aan de 'natuur'wetten van de economie. Dit weekend werd ik op mijn wenken bediend met een interessant verhaal in NRC over drugshandel. Daarin las ik dat drugskartels liever niet doen aan concurrentie op prijs of kwaliteit maar liever territorium afspraken maken met collega-drugskartels; een soort van meta-kartelvorming eigenlijk. De regering van El Salvador schijnt succesvol bemiddeld te hebben in een karteloorlog en zo veel ellende bespaard te hebben, waar dat in Mexico dan weer niet gelukt is. Benieuwd of het NSOB-model hier een extra kwadrant voor nodig heeft, of dat dit gewoon als participerende overheid beschouwd kan worden. In RLI's Mainports voorbij wordt gepreludeerd op de verdieping van de glimlach van de waardeketen. Dit betekent dat meer en meer vooral aan het begin van de keten (standaardisatie, innovatie) en aan het eind van de keten  (marketing en branding) veel wordt verdiend. Middenin (fabricage, assemblage en logistiek) verdient weer veel minder. Voor drugshandel anders dan die gericht op de thuismarkt gaat dit niet op, daar voegt internationaal transport juist heel veel waarde toe in de waardeketen. In het artikel wordt oa aan de hand van waardeketen en de prijselasticiteit van cocaïne aangetoond dat de war on drugs gedoemd is te mislukken. Vandaar ook dat het voorstel wordt gedaan drugs te legaliseren en via een staatsmonopolie op de markt te brengen. Nederland heeft dit al eens succesvol voor opium in Indonesië toegepast. Toegegeven het zal wat botsen met de Eurpese bestuurscultuur, maar het zou echt goed zijn hier op weg naar maart nog eens goed over na te denken; vier Amerikaanse staten zijn ons voor marihuana voorgegaan. 





dinsdag 2 augustus 2016

Gelezen: Successful Business Models for 3D printing

Nu was ik in de bieb opzoek naar een boek van Berenschot over programmaministers maar dat hadden ze niet, dus heb ik dit Berenschot-boek maar geleend. Marko Hekkert (UU) wijst bij innovatiebeleid op het gevaar van aanbodgedreven technologie die niet wezenlijk bijdraagt aan maatschappelijke uitdagingen. Zo noemde hij tijdens een presentatie onlangs de zelfrijdende auto en smart city technologie twijfelachtig in deze context  ("technologies  in search for a solution"). "Maar hoe zit dat dan voor 3D printen?", vroeg ik mij af bij het lezen van dit boek. Zal 3D printing echt de belofte waarmaken van veel minder afval en transport? Het boek zelf is in de stijl van de believer geschreven (minder afval, minder gewicht, minder brandstofverbruik, efficiënte supply chains) maar op internet worden de nodige mitsen en maren opgeworpen (hangt sterk af van type printer (sommige geven meer afval dan traditionele technieken), kwalijke dampen, hulpstoffen, fijnstof, te afhankelijk van plastic, transport is niet zwaarwegend in LCA's enz.) Het Australische TNO (CSIRO) durft overigens de conclusie aan dat de thuisprinters over het geheel genomen wel goed voor het milieu zijn. Nu ja wel wat aanknopingspunten dus om met 3D printing aan te sluiten bij de maatschappelijke uitdaging duurzaamheid al geeft het boek wel aan dat 3D printing vooral een industriële revolutie zal zijn.  Het boek bevat ook nog een reeks te nemen hobbels oa (1) kosten moeten omlaag; (2) snellere en grotere printers; (3) kwaliteitscontrole; (4) getrainde operatoren en designers; (5) intellectueel eigendom en patenten. Maar die hobbels gaan zeker genomen worden is het idee, en 3D printing heeft sowieso de status van moon shot innovatie daar tegenwoordig zakjes poeder voor de 3D printer in plaats van onderdelen naar ISS space station gaan. 


vrijdag 29 juli 2016

(Rustig) gelezen: RLi advies Mainports voorbij


Kritisch gegrom in de gangen is natuurlijk goede reclame voor een rapport. Vandaar dat ik verwachtingsvol aan het RLI-advies 'Mainports voorbij' begon. Nu moet ik er wel bijzeggen dat ik - hoewel verleidelijk - niet opzoek ben gegaan naar de controverse, maar juist naar stukjes analyse en aanbeveling die sowieso bruikbaar zijn. En vooraf wist ik al dat die er in zouden moeten zitten omdat partijen die niet blij waren met de conclusies in het adviesrapport (stoppen met apart mainportbeleid) zich wel in de analyse konden vinden. De onder de analyse liggende rapporten van Decisio (economische onderzoek- en adviesbureau) over Schiphol en van EUR over de haven van Rotterdam laten zien dat het economisch belang van Schiphol en de haven niet onaanzienlijk is, maar dat de beide Mainports nu ook weer niet dé motor van de NL economie vormen. Aan directe economische bijdrage ( vb luchtvaart-en luchthavenactiviteiten) en indirect achterwaartse economische bijdrage (toeleveranciers) valt daarbij nog overtuigend te rekenen. Echter, de indirecte voorwaartse economische bijdrage, zeg maar het belang van met name Schiphol voor het vestigingsklimaat in NL is én vast heel belangrijk, én niet eenduidig te berekenen. Dat is natuurlijk een bummer. De RLI- overdenking 'op andere plekken rendeert het publieke geld wellicht beter voor het verbeteren van het vestigingsklimaat' lijkt dan ook best een goede maar moeilijk in te vullen. Maar RLI formuleert wel een aantal zeer aansprekende vragen op weg naar een mogelijke Strategie Vestigingsklimaat 2040 waarbij ik de volgende twee het meest aansprekend vindt: (1) Hoe verhouden hardere en zachtere vestigingsplaatsfactoren zich tot elkaar? Hoe kunnen de verschillende zachte vestigingsplaatsfactoren, zoals groene landschappen, cultureel erfgoed en maatschappelijke ontwikkelingskansen voor mensen, die cruciaal zijn voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat in 2040 een duidelijke plek krijgen in het beleid? Welke partners en vormen van samenwerking zijn daarvoor nodig?; (2) Welke rol speelt de overheid bij het investeren in infrastructuur voor het vestigingsklimaat? Er is nu een grote tegenstelling tussen klassiekeinfrastructuur (vaarwegen, spoorverbindingen en snelwegen) die  grotendeels door overheden wordt gefinancierd en de digitale infrastructuur waar publieke investeringen al snel stuiten op staatssteunissues. Is dat onderscheid wenselijk? Is er een herevaluatie nodig van wat publieke en wat private goederen zijn?